Fakkeloptocht 2016

Spreker Hette Domburg

 

Beste mensen,

10 december 2016. Hier staan we, 68 jaar na de ondertekening van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Hier staan we, een kleine groep mensen op de hoek van twee straten in ons kleine dorp, Oosterbeek. We staan hier ver weg van de gebeurtenissen die wereldwijd de aandacht vragen – gebeurtenissen die te maken hebben met de schending van mensenrechten. Maar toch, dat wij hier staan heeft betekenis.

Wat u hier de jaren door doet, heeft betekenis. De brieven die van hieruit geschreven worden naar mensen die gevangen zitten. De brieven die geschreven worden naar regeringen om de rechten van gevangenen te respecteren, om mensen vrij te laten die om politieke redenen gevangen zitten. Het zijn lichtpuntjes, kleine fakkeltjes die uitgezonden worden, de wereld in. Door hier vandaag te staan houden we het vuur brandend, ook in Oosterbeek. Het vuur van strijden voor mensenrechten. Het vuur dat maakt dat we niet onverschillig worden over wat er met mensen gebeurt, ook al is het ver weg.

Dat wij hier staan past in de geest waarmee de universele verklaring van de rechten van de mens is ondertekend. Want bij de ondertekening, 68 jaar geleden, sprak Eleanor Roosevelt de volgende woorden:

Waar beginnen universele mensenrechten uiteindelijk? In kleine plaatsen, dicht bij huis – zo dichtbij en zo klein dat ze niet te zien zijn op welke kaart van de wereld dan ook. Als deze rechten daar geen betekenis hebben, hebben ze nergens betekenis. Zonder actie door samenwerkende burgers om deze rechten te handhaven dicht bij huis, zullen we tevergeefs zoeken naar vooruitgang in de wijdere wereld.’

Where, after all, do universal human rights begin? In small places, close to home – so close and so small that they cannot be seen on any maps of the world. Unless these rights have meaning there, they have little meaning anywhere. Without concerted citizen action to uphold them close to home, we shall look in vain for progress in the larger world.”

Wij staan hier vandaag in de druilerige regen. Zo grauw als de hemel vandaag, zo grauw kan de wereld ons toeschijnen. In de inleiding op de universele verklaring van de rechten van de mens, wordt de naleving van deze rechten aangeduid als het hoogste ideaal waarnaar landen en volken wereldwijd moeten streven. Een ideaal dat als een fakkel licht verspreidt in een wereld die vaak nog donker is. Wij mogen hier in Oosterbeek, in Nederland, in West Europa, vrij en in het licht van de dag zeggen wat we denken. Wij leven in vrijheid.

Wij zijn hier vandaag omdat wij verder kijken dan onze eigen vrijheid. Misschien doen we dat, omdat we nog herinneringen hebben aan de tijd, waarin die vrijheid ook in ons land niet bestond. De jaren van Duitse bezetting, waarin mensen om politieke redenen vervolgd en vermoord werden. Maar ook de beelden en de verhalen van mensen vandaag, die tot ons komen, zetten ons in beweging en brengen ons bij elkaar.

We zijn maar met weinigen vandaag en eigenlijk maakt me dat kwaad, of ongerust. Waar is iedereen? Waar is de verontwaardiging over wat er in de wereld met mensen gebeurt? Kan het Oosterbeek nog wat schelen, dat onschuldige mensen gemarteld en gedood worden? Dat vluchtelingen in kampen worden opgesloten en geslagen, onder uitzichtloze en erbarmelijke omstandigheden? Hebben we nog het gevoel dat we er iets aan kunnen – en dus moeten – doen?

Ik moet denken aan een prachtig lied van Leon Gieco, uit Argentinië, waarin hij zingt:

Solo le pido a Dios

que el dolor no me sea indiferente…

 

Ik vraag alleen aan God,

dat het lijden mij niet koud laat.

 

U moet niet struikelen over het woord God in dit lied. Het is geen lied voor in de kerk. León Gieco maakt deel uit van die zangers in Zuid-Amerika die de vrijheidsbewegingen en de beweging voor de mensenrechten ondersteunden, in de jaren van de dictaturen. Gieco’s lied zingt verder:

 

Ik vraag alleen aan God,

dat de dooie dood mij niet overvalt,

leeg en alleen, zonder dat ik genoeg gedaan heb.

 

Ik vraag alleen aan God,

dat het onrecht mij niet koud laat.

 

Ik vraag alleen aan God,

dat de oorlog mij niet koud laat.

Het is een groot monster dat met kracht

de onschuld van de mensen vertrapt.

 

Ik vraag alleen aan God,

dat het bedrog mij niet koud laat.

 

Ik vraag alleen aan God,

dat de toekomst mij niet koud laat.

Wie moet vluchten om in een andere cultuur te leven,

is alle hoop ontnomen.

 

León Gieco vraagt, bidt, om niet onverschillig te worden. Hij vraagt steeds weer: dat het mij niet koud laat. Dat ik bij mijn dood niet moet vaststellen: ik heb niet genoeg gedaan. Wie dit bidt, roept ook zichzelf tot de orde. Het lied is een lied tegen de onverschilligheid. Dat het lot van andere mensen je niet koud zal laten. Het is een lied om samen te zingen – om elkaar te bevestigen: het laat ons niet koud. Een lied dat past op een dag als vandaag.

Want als iets de naleving van mensenrechten bedreigt, dan is het wel de onverschilligheid van de massa’s. Een onverschilligheid over het lot van de ander, die gemakkelijker wordt naarmate we onszelf minder in de ander wensen te verplaatsen. De manier waarop er momenteel met de rechten van vluchtelingen wordt omgegaan, die aan het geweld in Syrië proberen te ontkomen, heeft daar alles mee te maken.

Er wordt met angst gereageerd op de komst van grote groepen vluchtelingen. Angst om wat anders – in plaats van begrip voor wat gelijk is. Dat wat ons mensen van elkaar onderscheidt, door geloofsovertuiging, taal en cultuur, huidskleur enzovoort, wordt dan weer belangrijker dan wat ons met elkaar verbindt – onze menselijkheid. En als wat ons van elkaar onderscheidt belangrijker is – dan wordt het makkelijker om onverschillig te zijn over het lot van de ander. Die staat toch al snel een treetje lager.

Grote groepen mensen zitten vast in kampen aan de grenzen van Syrië, waar onvoldoende medische voorzieningen zijn. Waar het onveilig is. Waar geen perspectief is. Ze mogen niet verder Jordanië in, ze genieten geen volle rechten en kansen in Turkije, ze worden geweerd van de Europese stranden. Al deze landen lijken te zeggen: het is niet ons probleem. Het is hún probleem. Al deze landen zetten daarmee in op wat mensen van elkaar onderscheidt, niet op wat ons met elkaar verbindt. Dit is een weg die tegengesteld is aan die van de universele verklaring van de mensenrechten.

De universele verklaring van de rechten van de mens gaat uit van universele mensenrechten. De verklaring gaat er daarmee vanuit dat een mens allereerst een mens is – en dat een mens op grond van zijn of haar mens-zijn gerespecteerd moet worden. In die verklaring is ook het recht op asiel verankerd voor allen die om redenen van vervolging hun eigen land ontvluchten.

Het is belangrijk om namen te noemen. Om slachtoffers een gezicht en een naam te geven. In een verslag van Amnesty International van 3 november dit jaar wordt het verhaal verteld van Salih, een jongen van zestien jaar oud, die gevlucht is uit Darfur in Soedan. Zijn ouders zijn vermoord door het leger. Hij heeft een barre tocht gemaakt door Lybië en over de middellandse zee, tot hij wordt opgepikt door de Italiaanse kustwacht. Hij was onderweg naar Engeland, waar een oom van hem woont. Maar de Europese regels maken het onmogelijk om vanuit Italië door te reizen, zodra je je vingerafdrukken hebt afgegeven. Dus wil Salih geen vingerafdrukken geven. Hij wordt geslagen tot hij toegeeft en alsnog zijn vingerafdrukken geeft. Nu kan hij geen kant meer op. De oom die op hem wacht zit ver weg in Engeland. En thuis in Darfur is geen thuis meer.

Salih leeft nog en misschien heeft hij alsnog geluk. Maar wat hem is overkomen is onrecht. Veel anderen hebben het leven gelaten. Of zitten in eenzame opsluiting, doorstaan onnoemelijke pijn en angst. Wie kent hun namen? Amnesty is één van de organisaties die de namen kennen, die registreren wat er gebeurt. Die luid en duidelijk laten horen, dat de namen bekend zijn van de mensen die gevangen zitten. Die de herinnering levend houden en daarmee het verzet tegen onrecht. Zonder de herinnering aan de slachtoffers, geen echte hoop op een betere toekomst.

In Argentinië heb ik gezien hoe kleine groepjes mensen zich jaren lang ingezet hebben om de namen niet te vergeten. Om elke vermissing, elke moord, zorgvuldig te documenteren. Opdat geen slachtoffer vergeten zou worden en geen dader vrij uit zou gaan. Het heeft jaren geduurd, maar zij hebben met hun gevaarlijke werk de basis gelegd voor een betere toekomst. De namen konden genoemd worden op bijeenkomsten zoals deze, als teken van leven en hoop. Geen straffeloosheid. Geen onverschilligheid om mensen die verdwijnen.

Daarom staan wij vandaag ook hier en dragen onze fakkels door de straten van Oosterbeek. Opdat wij niet onverschillig worden. Opdat ook wij helpen om de vlam brandend houden. De vlam die hoop geeft aan de mensen in het donker van hun gevangenschap – en hoop aan alle mensen, op een wereld van recht en vrede.

door Hette Domburg

 

fotografie: Jan Boelens